Ik verzin niets, ik kies alleen wat ik wil laten zien.

Mijn naam is dus Bert Klinkenberg. Als auteur publiceerde ik als eerste, en toen nog alleen mijn Engelstalige werk onder de naam Burt Clinchandhill – een naam waaronder ik (inter)nationaal bekend ben geworden met Engelstalige thrillers die zich bewegen op het snijvlak van feit en fictie, werkelijkheid en interpretatie. Verhalen waarin politieke intriges, historische gebeurtenissen en verborgen waarheden samenkomen en zich langzaam ontvouwen tot iets dat net zo plausibel voelt als het verontrustend is.
Maar mijn verhaal begon niet met het schrijven van romans. Het begon met een jongen van dertien, een vulpen met een gouden kroon, een stapel ruitjespapier en een fascinatie voor het vreemde, het ongemakkelijke en het onverwachte. Verhalen die inmiddels verloren zijn gegaan – ergens tussen verhuizingen en een leven dat voortging – maar die nooit echt verdwenen zijn. Want wat toen begon, is nooit gestopt. Het heeft zich alleen een tijd verscholen. Na een loopbaan buiten de literatuur – met omwegen via onder andere fotografie en andere richtingen – keerde ik pas tientallen jaren later terug naar het schrijven.
Wat begon met Kursk, een op ware gebeurtenissen gebaseerde politieke thriller, groeide uit tot meerdere boeken waarin feitelijke inspiratie en fictieve verbeelding bewust door elkaar lopen. Diezelfde fascinatie keert nu terug in een andere vorm. Met mijn trilogie van korte verhalen sluit ik een cirkel die meer dan vijftig jaar open heeft gestaan. In deze verhalen keer ik terug naar de kern: kort, scherp, soms grimmig en vaak met een onderhuidse, zwarte humor. Verhalen waarin de mens centraal staat – niet als held, maar als raadsel.
De invloed van schrijvers als Roald Dahl – met name zijn Tales of the Unexpected – is daarin voelbaar; niet als kopie maar als echo. Niet de magie van het bovennatuurlijke, maar de ontmaskering van het al te menselijke: hypocrisie, zelfbedrog, macht, angst en verlangen. Maar ook Steven King en Michael Crichton zijn voor mij sprekende voorbeelden.
Mijn werk, zowel in romans als in korte verhalen, draait om één terugkerend spanningsveld:
De ruimte tussen wat waar is en wat wij kiezen te geloven.
In een wereld die steeds sneller verandert – waarin technologie, macht en informatie de grenzen van onze werkelijkheid vervormen – wordt dat spanningsveld alleen maar relevanter. We vertrouwen systemen die we niet begrijpen, geloven verhalen die ons geruststellen en bewegen ons steeds verder van de vraag af wat waarheid eigenlijk nog betekent. Mijn verhalen bieden daarop geen antwoorden. Ze stellen vragen. Soms ongemakkelijke vragen. Want mijn verhalen zijn geen preken. Ze zijn spiegels. En spiegels zijn zelden vriendelijk. Maar wie bereid is om te kijken, ziet misschien iets terug dat herkenbaar is – en tegelijkertijd verontrustend dichtbij komt. Of ik nu schrijf over politieke complotten, historische mysteries of fictieve werkelijkheden: de kern blijft hetzelfde. De mens is mijn onderwerp. Zijn drijfveren, zijn angsten, zijn overtuigingen – en vooral zijn vermogen om zichzelf te misleiden. Misschien is dat wat al mijn werk verbindt: de gedachte dat de werkelijkheid altijd vreemder is dan fictie… maar dat fictie ons soms beter laat zien hoe de werkelijkheid werkelijk in elkaar zit. Toen ik opnieuw begon met het schrijven van korte verhalen, voelde ik me weer even die jongen van dertien.
